Organisatiecultuur - Harrison
Volgens Harrison worden ideologie en karakter van een organisatie mede gevormd door het gegeven dat organisaties moeten omgaan met deels tegenstrijdige eisen uit hun omgeving.
Complexe en gevaarlijke omgevingen vragen om het snel reageren op veranderingen en het realiseren van groei, individuen in de organisatie vragen om economische, politieke en psychologische veiligheid, het kunnen nastreven van (zinvolle) doelen en om mogelijkheden van persoonlijke groei.
Het zoeken van een evenwicht in dit krachtenveld leidt vanuit verschillende ideologieën (organisatieculturen) tot verschillende compromissen, die mede bepalend zijn voor structuur en leiderschapsstijl.
Voorbeeld testresultaat

Harrison spreekt van een machtsgerichte cultuur als er sprake is van een verdeel- en heerspolitiek, centralistische leiding van de ondernemer, vaak een pionier. De missie van de organisatie is helder, de organisatie is resultaatgericht, moet snel reageren is voortdurend in competitie.
Een rolgerichte cultuur wordt gekenmerkt, aldus Harrison, door een stabiele omgeving, door interne bureaucratie, taakscheiding, regels, procedures en systemen. Aan dat laatste wordt veel zekerheid ontleend.
Een persoonsgerichte cultuur stelt volgens Harrison het individu centraal. Vaak gaat het om organisaties met een groot aantal professionals, die weinig formeel met elkaar omgaan en geen grote binding met de organisatie hebben. Men neemt zelf initiatief, heeft persoonlijke agenda’s en heeft moeite met een baas.
Het laatste cultuurtype van Harrison is taakgericht; een platte organisatie waar de baas coacht en condities regels, die weinig bureaucratie kent en waar de klus gewoon moet worden geklaard, want men staat (altijd) klaar voor de klant.
Over de test
'Organisatiecultuur' definiëren we als het geheel van normen, waarden, opvattingen en omgangsvormen in een organisatie. in de test worden 10 situaties beschreven. Onder elke situatie worden vier verschillende 'cultuurstijlen' beschreven zoals een organisatie of organisatie-onderdeel zich kan gedragen. Respondent wordt verzocht bij iedere vraag aan te geven welk antwoord het beste aansluit bij de huidige en bij de toekomstige/gewenste situatie.
Huidige situatie:
Geef per beschreven situatie aan welk antwoord naar uw oordeel het beste past bij uw organisatie zoals die op dit moment functioneert.
Toekomstige situatie:
U kijkt nogmaals naar de beschreven situatie, maar dan vanuit de invalshoek: hoe zou ik graag willen dat men in de toekomst in organisatie met elkaar wordt omgaan.
Copyright ©,de Verdieping
Mogelijkheden





